Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Google Translate
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 3,08 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 1,85 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Symptomatische hypotensie Symptomatische hypotensie kan soms na de eerste dosis lisinopril/hydrochloorthiazide optreden en werd zelden waargenomen bij ongecompliceerde hypertensieve patiënten. Bij hypertensieve patiënten die lisinopril krijgen, zal hypotensie vaker voorkomen in aanwezigheid van verstoringen van de vocht- of elektrolytenbalans, zoals volumedepletie, hyponatriëmie, hypochloremische alkalose, hypomagnesiëmie of hypokaliëmie, die kunnen optreden als gevolg van behandeling met diuretica, zoutarm dieet, dialyse, diarree of braken, verstoringen van de elektrolytenbalans zoals hyponatriëmie, hypochloremische alkalose, of ernstige renine�afhankelijke hypertensie (zie rubrieken 4.5 en 4.8). Bepaling van de serumelektrolyten dient bij dergelijke patiënten geregeld te worden uitgevoerd. Bij patiënten met hartfalen, met of zonder geassocieerde nierinsufficiëntie, werd symptomatische hypotensie waargenomen. Patiënten met ernstigere vormen van hartfalen, zoals weerspiegeld door het gebruik van hoge doses lisdiuretica, hyponatriëmie of functionele nierinsufficiëntie, hebben hierop meer kans. Bij patiënten met een verhoogd risico op symptomatische hypotensie, dient de start van de behandeling en dosisaanpassing nauwgezet te worden gecontroleerd. Gelijkaardige beschouwingen zijn van toepassing bij patiënten met ischemische hart- of cerebrovasculaire ziekte bij wie een aanzienlijke bloeddrukdaling zou kunnen leiden tot een myocardinfarct of cerebrovasculair accident. Indien hypotensie optreedt, dient de patiënt in achteroverliggende positie te worden geplaatst en, indien nodig, een intraveneuze infusie van een normale zoutoplossing te krijgen. Een tijdelijke hypotensieve respons is geen contra-indicatie voor verdere doses. Als het bloedvolume en de bloeddruk effectief zijn hersteld, kan de therapie wellicht met een verlaagde dosering worden hervat of met een van beide bestanddelen alleen worden voortgezet. Bij sommige patiënten met hartfalen die een normale of lage bloeddruk hebben, kan een bijkomende daling van de systemische bloeddruk voorkomen met lisinopril. Dit effect is geanticipeerd en is gewoonlijk geen reden om de behandeling stop te zetten. Indien hypotensie symptomatisch wordt, kan een vermindering van de dosis of stopzetting van lisinopril nodig zijn. Aorta- en mitralisklepstenose/hypertrofische cardiomyopathie Zoals met andere ACE-inhibitoren dient lisinopril met voorzichtigheid te worden toegediend aan patiënten met mitralisklepstenose en een obstructie in de uitgang van het linkerventrikel zoals aortastenose of hypertrofische cardiomyopathie. Nierinsufficiëntie Thiaziden kunnen ongeschikt zijn als diureticum voor gebruik bij patiënten met nierinsufficiëntie en zijn ineffectief bij patiënten met een creatinineklaring van 30 ml/min of lager (d.w.z. matige of ernstige nierinsufficiëntie). Lisinopril/hydrochloorthiazide mag niet worden toegediend aan patiënten met nierinsufficiëntie (creatinineklaring van 80 ml/min of minder), voordat met titratie van de afzonderlijke bestanddelen is vastgesteld dat de in de combinatietablet aanwezige doses nodig zijn. Bij patiënten met nierziekten kunnen thiaziden het ontstaan van azotemie versnellen. Bij patiënten met een verminderde nierfunctie kunnen cumulatieve effecten van de medicatie optreden. Indien er een progressieve nierinsufficiëntie ontstaat, die gekenmerkt wordt door een stijging van het niet-proteïne stikstof, is zorgvuldige evaluatie van de behandeling noodzakelijk, en dient staken van de diureticatherapie in overweging te worden genomen (zie rubriek 4.3) Bij patiënten met hartfalen kan hypotensie na het starten van de behandeling met ACE�inhibitoren leiden tot verdere vermindering van de nierfunctie. Acuut nierfalen, gewoonlijk reversibel, werd in dit geval gemeld. Bij sommige patiënten met bilaterale renale arteriële stenose of met een stenose van de arterie naar één nier, die behandeld werden met angiotensineconversie-enzyminhibitoren, werden verhogingen waargenomen van het bloedureum en de serumcreatinine, gewoonlijk reversibel na onderbreking van de behandeling. Dit kan vooral gebeuren bij patiënten met nierinsufficiëntie. Indien er ook sprake is van renovasculaire hypertensie, is er een verhoogd risico op ernstige hypotensie en nierinsufficiëntie. Bij deze patiënten dient de behandeling te beginnen onder nauw medisch toezicht met lage doses en een voorzichtige dosistitratie. Aangezien een behandeling met diuretica hiertoe kan bijdragen, moet deze worden gestopt en de nierfunctie gecontroleerd worden tijdens de eerste weken van de behandeling met lisinopril. Sommige hypertensieve patiënten zonder duidelijke voorafbestaande renale vasculaire ziekte vertoonden verhogingen van het bloedureum en de serumcreatinine, gewoonlijk van minieme en voorbijgaande aard, vooral wanneer lisinopril tegelijkertijd met een diureticum werd gegeven. De kans is groter dat dit gebeurt bij patiënten met een voorafbestaande verminderde nierfunctie. Een dosisverlaging en/of stopzetting van het diureticum en/of lisinopril kan nodig zijn. Voorafgaande behandeling met diuretica De therapie met diuretica dient twee à drie dagen voor de start van de behandeling met lisinopril/hydrochloorthiazide te worden gestopt. Indien dit niet mogelijk is, dient de behandeling gestart te worden met lisinopril alleen, met een dosis van 5 mg. Patiënten met niertransplantatie Aangezien er geen ervaring bestaat met lisinopril bij patiënten met een recente niertransplantatie is de toediening van lisinopril niet aanbevolen bij deze patiënten. Anafylactoïde reacties bij hemodialysepatiënten Het gebruik van lisinopril/hydrochloorthiazide is niet geïndiceerd bij patiënten die nierdialyse nodig hebben als gevolg van nierfalen. Anafylactoïde reacties werden gerapporteerd bij patiënten die bepaalde hemodialyseprocedures ondergingen (bijv. met "high flux" membranen AN 69 en tijdens "low-density" lipoproteïnen (LDL) aferese met dextransulfaat) en tegelijk behandeld werden met een ACE-inhibitor. Bij deze patiënten dient een ander type dialysemembraan of een andere klasse van antihypertensieve stof in overweging te worden genomen. Anafylactoïde reacties tijdens "low-density" lipoproteïnen (LDL) aferese Zelden hebben patiënten die ACE-inhibitoren kregen tijdens low-density lipoproteïnen (LDL) aferese met dextransulfaat levensbedreigende anafylactoïde reacties ondervonden. Deze reacties werden vermeden door een tijdelijke onderbreking van de behandeling met ACE-inhibitoren vóór elke aferese. Leverziekte Thiaziden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een leverfunctiestoornis of een progressieve leverziekte, aangezien kleine schommelingen in de vocht- en elektrolytenbalans hepatische coma kunnen uitlokken (zie rubriek 4.3). Zelden werden ACE-inhibitoren geassocieerd met een syndroom dat begint met cholestatische geelzucht of hepatitis en evolueert tot plots optredende necrose en (soms) de dood. Men begrijpt het mechanisme van dit syndroom niet. Patiënten die lisinopril/hydrochloorthiazide innemen en geelzucht of belangrijke verhogingen van leverenzymen krijgen, moeten stoppen met lisinopril/hydrochloorthiazide en een geschikte medische follow-up krijgen. Chirurgische interventie/anesthesie Bij patiënten die een belangrijke operatie ondergaan of tijdens anesthesie met stoffen die tot hypotensie leiden, kan lisinopril angiotensine II-vorming secundair aan compenserende renine�vrijgave blokkeren. Indien hypotensie optreedt en deze aan dit mechanisme wordt toegeschreven, kan deze door volumevergroting gecorrigeerd worden. Metabole en endocriene effecten Bij diabetespatiënten die behandeld worden met orale antidiabetica of insuline, dient de glykemische controle van nabij te worden gevolgd tijdens de eerste maand van de behandeling met een ACE-inhibitor (zie rubriek 4.5). Behandeling met thiaziden kan de glucosetolerantie verminderen. Dosisaanpassingen van antidiabetica, waaronder insuline, kunnen nodig zijn. Latente diabetische mellitus kan manifest worden tijdens thiazidetherapie. Toenames van de cholesterol- en triglyceridespiegels kunnen in verband worden gebracht met behandeling met thiazidediuretica. Bij sommige patiënten kan behandeling met thiazidediuretica hyperurikemie en/of jicht uitlokken. Lisinopril kan echter de uitscheiding van urinezuur via de urine vergroten en zo het hyperurikemisch effect van hydrochloorthiazide verminderen. Verstoringen van de elektrolytenbalans Zoals voor elke patiënt die met diuretica wordt behandeld, dient bepaling van serumelektrolyten geregeld te worden uitgevoerd. Thiaziden, waaronder hydrochloorthiazide, kunnen de vocht- of elektrolytenbalans verstoren (hypokaliëmie, hyponatriëmie en hypochloremische alkalose). Waarschuwingssignalen van verstoringen van de vocht- of elektrolytenbalans zijn droge mond, dorst, zwakte, lethargie, slaperigheid, rusteloosheid, spierpijn of -krampen, spiermoeheid, hypotensie, oligurie, tachycardie en gastrointestinale stoornissen zoals misselijkheid en braken. Hoewel hypokaliëmie zich kan ontwikkelen door het gebruik van thiazidediuretica, kan gelijktijdig gebruik van lisinopril door diuretica veroorzaakte hypokaliëmie doen afnemen. De kans op hypokaliëmie is het grootst bij patiënten met levercirrose, bij patiënten die een snelle diurese ondervinden, bij patiënten die een inadequate orale inname van elektrolyten hebben en bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden of ACTH (zie rubriek 4.5). Bij warm weer kan bij oedemateuze patiënten hyponatriëmie optreden. Het chloridetekort is in het algemeen mild en behoeft geen behandeling. Thiaziden kunnen de calciumexcretie via de urine verminderen en intermitterend een lichte verhoging van het serumcalcium veroorzaken, zelfs bij afwezigheid van bekende stoornissen in het calciummetabolisme. Duidelijke hypercalciëmie kan een aanwijzing zijn voor verborgen hyperparathyroïdisme. Thiaziden dienen te worden gestaakt voordat testen voor de parathyroïdfunctie worden uitgevoerd. Het is aangetoond dat thiaziden de renale excretie van magnesium verhogen, wat kan resulteren in hypomagnesiëmie. Serumkalium ACE-remmers kunnen hyperkaliëmie veroorzaken door onderdrukking van de vrijgifte van aldosteron. Bij patiënten met een normale nierfunctie is het effect doorgaans niet significant. Hyperkaliëmie kan echter voorkomen bij patiënten met een verminderde nierfunctie, diabetes mellitus en/of bij patiënten die kaliumsupplementen (waaronder zoutvervangers), kaliumspa�rende diuretica of patiënten die andere werkzame stoffen innemen die in verband zijn gebracht met een toename in serumkalium (bijv. heparine, trimethoprim of co-trimoxazol, ook bekend als trimethoprim/sulfamethoxazol) of, in het bijzonder, aldosteronantagonisten of angiotensine�receptorblokkers gebruiken. Kaliumsparende diuretica en angiotensinereceptorblokkers dienen met voorzichtigheid toegepast te worden bij patiënten die ACE-remmers gebruiken, waarbij de serumkaliumspiegels en de nierfunctie gemonitord moeten worden (zie rubriek 4.5). Patiënten met diabetes Bij patiënten met diabetes die behandeld worden met orale antidiabetica of insuline dient de glycemische controle nauwgezet te worden gecontroleerd tijdens de eerste maand van de behandeling met een ACE-remmer (zie rubriek 4.5). Overgevoeligheid/angio-oedeem Angio-oedeem van gezicht, handen en voeten, lippen, tong, glottis en/of larynx werd zelden gerapporteerd bij patiënten behandeld met angiotensineconversie-enzyminhibitoren, waaronder lisinopril. Dit kan op elk moment van de therapie gebeuren. In deze gevallen moet lisinopril onmiddellijk stopgezet worden en een geschikte behandeling en controle dienen te worden opgestart teneinde zeker te zijn dat de symptomen volledig weg zijn alvorens de patiënt te laten gaan. Zelfs wanneer enkel een zwelling van de tong optreedt, zonder ademhalingsproblemen, kan het zijn dat deze patiënten voor langere tijd geobserveerd moeten worden aangezien de behandeling met antihistamines en corticosteroïden niet altijd voldoende is. Heel zelden werden dodelijke gevallen gerapporteerd als gevolg van angio-oedeem geassocieerd met larynxoedeem of tongoedeem. Patiënten bij wie de tong, glottis of larynx is aangetast, hebben kans op een obstructie van de luchtwegen, vooral die patiënten die reeds aan de luchtwegen werden geopereerd. In dergelijke gevallen dient een urgentiebehandeling onmiddellijk te worden toegediend. Deze kan bestaan uit toediening van adrenaline en/of behoud van een open luchtweg. De patiënt dient onder nauw medisch toezicht te worden geplaatst tot de symptomen volledig weg zijn en blijven. Angiotensineconversie-enzyminhibitoren veroorzaken meer angio-oedeem bij patiënten van het zwarte ras dan bij patiënten van een ander ras. Patiënten met een voorgeschiedenis van angio-oedeem die niet in verband is gebracht met een behandeling met een ACE-inhibitor, kunnen een verhoogd risico op angio-oedeem hebben wanneer zij een ACE-inhibitor toegediend krijgen (zie rubriek 4.3). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en sacubitril/valsartan is gecontra-indiceerd vanwege het verhoogde risico op angio-oedeem (zie rubriek 4.3 en 4.4). Behandeling met sacubitril/valsartan mag niet eerder dan 36 uur na de laatste dosis lisinopril worden gestart. Behandeling met lisinopril mag niet eerder dan 36 uur na de laatste dosis sacubitril/valsartan worden gestart (zie rubriek 4.3 en 4.5). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) of vildagliptine kan een verhoogd risico geven op angio-oedeem (bijv. zwelling van de luchtwegen of de tong, met of zonder ademhalingsproblemen) (zie rubriek 4.5). Voorzichtigheid is geboden bij het starten van een behandeling met racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) of vildagliptine bij een patiënt die een ACE-remmer gebruikt. Bij patiënten die thiaziden krijgen, kunnen overgevoeligheidsreacties optreden, ongeacht een eventuele voorgeschiedenis van allergie of bronchiaal astma. Exacerbatie of activering van systemische lupus erythematosus is gemeld bij gebruik van thiaziden. Desensitisatie Patiënten die ACE-inhibitoren krijgen tijdens een desensitisatiebehandeling (bijv. hymenoptera vergif) hebben langdurige anafylactoïde reacties. Bij dezelfde patiënten werden deze reacties vermeden toen de ACE-inhibitoren tijdelijk werden stopgezet, maar deze kwamen terug na het onopzettelijk terug toedienen van het geneesmiddel. Neutropenie/agranulocytose Neutropenie/agranulocytose, trombocytopenie en anemie werden gerapporteerd bij patiënten die ACE-inhibitoren toegediend krijgen. Bij patiënten met een normale nierfunctie en geen andere complicerende factoren komt neutropenie zelden voor. Neutropenie en agranulocytose zijn reversibel na stopzetting van de ACE-inhibitor. Lisinopril dient met uiterste voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een collageen vasculaire ziekte, een immunosuppressieve therapie, een behandeling met allopurinol of procaïnamide, of een combinatie van deze complicerende factoren, in het bijzonder in geval van voorafbestaande nierinsufficiëntie. Sommige van deze patiënten kregen ernstige infecties die in bepaalde gevallen niet reageerden op een intensieve behandeling met antibiotica. Indien lisinopril bij deze patiënten wordt gebruikt, is het aangewezen het aantal witte bloedcellen geregeld te controleren en de patiënten dienen te weten dat zij elk teken van infectie dienen te rapporteren. De vaste dosiscombinatie van lisinopril en hydrochloorthiazide dient stopgezet te worden indien neutropenie (neutrofielen lager dan 1000/mm3 ) wordt ontdekt of vermoed. Ras Angiotensineconversie-enzyminhibitoren veroorzaken vaker angio-oedeem bij patiënten van het zwarte ras dan bij patiënten van een ander ras. Zoals met andere ACE-inhibitoren kan lisinopril minder doeltreffend zijn voor het verlagen van de bloeddruk bij patiënten van het zwarte ras dan bij patiënten van een ander ras, mogelijk wegens een hogere prevalentie van lage reninespiegels bij de zwarte hypertensieve bevolking. Hoest Hoest werd gerapporteerd met het gebruik van ACE-inhibitoren. Kenmerkend is dat de hoest niet�productief is, aanhoudt en verdwijnt na stopzetting van de therapie. Hoest die geïnduceerd wordt door een ACE-inhibitor moet beschouwd worden als een deel van de differentiële diagnose van hoest. Lithium De combinatie van lithium en lisinopril is over het algemeen niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Zwangerschap en borstvoeding Het gebruik van ACE-inhibitoren mag niet worden gestart tijdens de zwangerschap. Tenzij voortzetting van de behandeling met een ACE -remmer als essentieel wordt beschouwd, moeten patiënten die zwanger willen worden, overschakelen op een alternatieve antihypertensieve behandeling met een bekend veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens de zwangerschap. Wanneer zwangerschap wordt geconstateerd, moet de behandeling met ACE-inhibitoren onmiddellijk worden stopgezet en moet zo nodig een alternatieve behandeling worden gestart (zie rubrieken 4.3 en 4.6). Het gebruik van lisinopril/hydrochloorthiazide is niet aanbevolen tijdens de borstvoeding.
Essentiële hypertensie
Elke Co-Lisinopril EG tablet bevat:
De andere bestanddelen zijn:
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem De gegevens uit klinische studies laten zien dat dubbele blokkade van het renine-angiotensine�aldosteronsysteem (RAAS) bij het gecombineerde gebruik van ACE-remmers, angiotensine II�receptorantagonisten en aliskiren, in verband wordt gebracht met een hogere frequentie van bijwerkingen zoals hypotensie, syncope, hyperkaliëmie en een verminderde nierfunctie (inclusief acuut nierfalen) in vergelijking met het gebruik van een enkel geneesmiddel dat op het RAAS werkt (zie rubrieken 4.3, 4.4 en 5.1). De bloeddruk, nierfunctie en elektrolyten dienen nauwkeurig gecontroleerd te worden bij patiënten behandeld met lisinopril en andere middelen die effect hebben op het RAAS. Bij diabetici mag aliskiren niet gelijktijdig met lisinopril worden toegediend. Het gebruik van aliskiren met lisinopril dient vermeden te worden bij patiënten met een nierfunctiestoornis (GFR <60 ml/min/1,73m2 ) (zie rubriek 4.3). Lithium Tijdens gelijktijdige toediening van lithium en ACE-inhibitoren zijn reversibele verhogingen van de serumlithiumconcentratie en toxiciteit gemeld. Diuretica en ACE-inhibitoren verminderen de renale klaring van lithium en betekenen een groot risico op lithiumtoxiciteit en vergroten de reeds verhoogde lithiumtoxiciteit met ACE-inhibitoren. Het gebruik van lisinopril en hydrochloorthiazide met lithium wordt daarom niet aanbevolen, maar indien de combinatie noodzakelijk blijkt te zijn, dient een zorgvuldige controle van de serumlithiumspiegels te worden uitgevoerd (zie rubriek 4.4). Diuretica Wanneer een diureticum wordt toegevoegd aan de behandeling van een patiënt die lisinopril krijgt, is het antihypertensieve effect additief. Patiënten die reeds behandeld worden met diuretica en in het bijzonder zij bij wie de behandeling met diuretica onlangs werd opgezet, kunnen soms een overmatige bloeddrukdaling ondervinden wanneer Lisinopril wordt toegevoegd. De kans op symptomatische hypotensie met lisinopril kan geminimaliseerd worden door de behandeling met het diureticum te onderbreken alvorens de behandeling met lisinopril te starten (zie rubriek 4.4). Indien lisinopril wordt toegediend met een diureticum dat de kaliumexcretie verhoogt, kan dat de door diuretica veroorzaakte hypokaliëmie verbeteren. Kaliumsupplementen, kaliumsparende diuretica of kaliumhoudende zoutsubstituten. Het kaliumverlagende effect van thiazidediuretica wordt doorgaans afgezwakt door het kaliumsparende effect van lisinopril. Hoewel het serumkalium gewoonlijk binnen de normaalwaarden blijft, kan hyperkaliëmie optreden bij sommige patiënten die met lisinopril worden behandeld. Kaliumsparende (bijv. spironolacton, triamtereen of amiloride), kaliumsupplmenten of kaliumhoudende zoutsubstituten kunnen vooral bij patiënten met een nierfunctiestoornis of diabetes mellitus tot een significante verhoging van het serumkalium leiden. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdige toediening van lisinopril met andere middelen die het serumkalium verhogen, zoals trimethoprim en co-trimoxazol (trimethoprim/sulfamethoxazol), omdat bekend is dat trimethoprim een kaliumsparende diureticum is zoals amiloride. Daarom wordt een combinatie van lisinopril en bovengenoemde geneesmiddelen niet aanbevolen. Als gelijktijdig gebruik van geïndiceerd is, dient voorzichtigheid te worden betracht en moet het serumkalium regelmatig worden gecontroleerd (zie rubriek 4.4). Geneesmiddelen die in verband zijn gebracht met torsades de pointes Gezien het risico op hypokaliëmie moet voorzichtigheid worden betracht als hydrochloorthiazide gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die in verband zijn gebracht met torsades de pointes, zoals sommige antiaritmica, sommige antipsychotica en andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze torsades de pointes veroorzaken. Tricyclische antidepressiva/antipsychotica/anesthetica Gelijktijdig gebruik van bepaalde anesthetica, tricyclische antidepressiva en antipsychotica met ACE-inhibitoren kunnen de bloeddruk verder verlagen (zie rubriek 4.4). Niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's) waaronder acetylsalicylzuur (doses van 3 g/dag) Langdurige toediening van NSAID's (waaronder selectieve cyclo-oxygenase-2 inhibitoren), kan het bloeddrukverlagende effect van een ACE-inhibitor verminderen. NSAID's en ACE�inhibitoren hebben een additief effect op de stijging van het kaliumgehalte in het serum en kunnen tot een verslechtering van de nierfunctie leiden. Deze effecten zijn gewoonlijk reversibel. In zeldzame gevallen kan acute nierinsufficiëntie optreden, vooral bij patiënten die al een verminderde nierfunctie hebben, zoals ouderen of gedehydrateerde patiënten. Goud Nitritoïde reacties (symptomen van vasodilatatie waaronder blozen, nausea, duizeligheid en hypotensie, die zeer ernstig kunnen zijn) na toediening van injecteerbaar goud (zoals bijvoorbeeld natriumaurothiomalaat) werden vaker gemeld bij patiënten die met ACE-inhibitoren werden behandeld. Sympaticomimetica Sympaticomimetica kunnen het bloeddrukverlagende effect van ACE-inhibitoren verminderen; patiënten dienen zorgvuldig te worden gevolgd. Andere antihypertensiva Gelijktijdig gebruik van deze middelen kan het bloeddrukverlagende effect van lisinopril/hydrochloorthiazide verhogen. Gelijktijdig gebruik met glyceryltrinitraat en andere nitraten of andere vasodilatatoren kan de bloeddruk verder verlagen. Antidiabetica Epidemiologische studies doen vermoeden dat gelijktijdige toediening van ACE-inhibitoren en antidiabetica (insulines, orale hypoglykemiërende middelen) aanleiding kan geven tot een versterkte bloedsuikerverlaging met risico op hypoglykemie. Dit fenomeen bleek vooral op te treden tijdens de eerste weken van gecombineerde behandeling en bij patiënten met een verminderde nierfunctie. Amfotericine B (parenteraal), carbenoxolon, corticosteroïden, corticotropine (ACTH) of stimulerende laxativa Hydrochloorthiazide kan verstoringen van de elektrolytenbalans versterken, in het bijzonder hypokaliëmie. Calciumzouten Verhoogde serumcalciumspiegels als gevolg van een verlaagde excretie kunnen voorkomen bij gelijktijdige toediening met thiazidediuretica. Hartglycosiden Verhoogde kans op digitalisintoxicatie gepaard gaand met door thiaziden veroorzaakte hypokaliëmie. Colestyraminehars en colestipol Deze kunnen de absorptie van hydrochloorthiazide vertragen of doen afnemen. Sulfonamidediuretica dienen daarom minimaal 1 uur vóór of vier tot zes uur na deze geneesmiddelen te worden ingenomen. Niet-depolariserende spierrelaxantia (bijv. tubocurarinechloride) De werking van deze geneesmiddelen kan door hydrochloorthiazide versterkt worden. Trimethoprim Gelijktijdige toediening van ACE-inhibitoren en thiaziden met trimethoprim verhoogt het risico op hyperkaliëmie. Sotalol De door thiazide veroorzaakte hypokaliëmie kan het risico op aritmieën door sotalol verhogen. Allopurinol Gelijktijdige toediening van ACE-inhibitoren en allopurinol verhoogt het risico op nierschade en kan leiden tot een verhoogd risico op leukopenie. Ciclosporine Gelijktijdige toediening van ACE-inhibitoren en ciclosporine verhoogt het risico op nierschade en hyperkaliëmie. Hyperkaliëmie kan voorkomen tijdens gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en ciclosporine. Controle van de serumkaliumspiegel wordt aanbevolen. Heparine Hyperkaliëmie kan voorkomen tijdens gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en heparine. Controle van de serumkaliumspiegel wordt aanbevolen. Lovastatine Gelijktijdige toediening van ACE-inhibitoren en lovastatine verhoogt het risico op hyperkaliëmie. Procaïnamide, cytostatica of immunosuppressiva Gelijktijdige toediening met ACE-inhibitoren kan tot een verhoogd risico op leukopenie leiden (zie rubriek 4.4). Trombolytica en/of bètablokkers Lisinopril mag tegelijk met trombolytica en bètablokkers gebruikt worden. Hemodialyse Co-Lisinopril EG is niet aangewezen bij patiënten onder dialyse, aangezien een hoog aantal anafylactoïde reacties werden gerapporteerd bij patiënten die gedialyseerd werden met high flux membranen en gelijktijdig werden behandeld met ACE-inhibitoren. Deze combinatie dient te worden vermeden. Geneesmiddelen die het risico op angio-oedeem verhogen Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en sacubitril/valsartan is gecontra-indiceerd vanwege het verhoogde risico op angio-oedeem (zie rubriek 4.3 en 4.4). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) of vildagliptine kan een verhoogd risico geven op angio-oedeem (zie rubriek 4.4). Co-trimoxazol (trimethoprim/sulfamethoxazol) Patiënten die gelijktijdig co-trimoxazol (trimethoprim/sulfamethoxazol) innemen, kunnen een verhoogd risico lopen op hyperkaliëmie (zie rubriek 4.4).
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Belangrijke bijwerkingen of tekenen waarop u moet letten en waarvoor u maatregelen moet nemen als u hier last van heeft Als u weefselzwelling (angioneurotisch oedeem) krijgt in het gebied van het strottenhoofd, de stembanden en/of de tong, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts, zodat u met noodmedicatie behandeld kunt worden.
Als u merkt dat u tekenen van geelzucht (gele verkleuring van de huid en het oogwit, donkergekleurde urine) krijgt of geen eetlust meer heeft, moet u stoppen met de behandeling en onmiddellijk uw arts informeren.
Als u koorts, gezwollen lymfeklieren en/of een keelontsteking krijgt, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts, zodat het aantal witte bloedcellen onderzocht kan worden.
Opeens ademnood krijgen (klachten omvatten ernstige kortademigheid, koorts, zwakte en verwardheid) – frequentie zeer zelden (kan tot 1 op 10.000 mensen treffen)
als u in het verleden last heeft gehad van ademhalings- of longproblemen (waaronder ontsteking of vocht in de longen) na inname van hydrochloorthiazide. Als u na het innemen van Co-Lisinopril EG ernstige kortademigheid of moeite met ademhalen krijgt, roep dan onmiddellijk medische hulp in.
Uw arts zal mogelijk regelmatig uw nierfunctie, bloeddruk en het aantal elektrolyten (bv. kalium) in uw bloed controleren. Zie ook de informatie in de rubriek "Wanneer mag u Co-Lisinopril EG niet gebruiken?".
Tijdens het innemen van Co-Lisinopril EG: Als u één van de onderstaande verschijnselen ontwikkelt, informeer dan onmiddellijk uw arts: Als u zich duizelig voelt na de eerste dosis. Bij sommige personen kan een eerste dosis of een dosisverhoging leiden tot een duizelig, zwak, flauw en misselijk gevoel. Klachten zoals een droge mond, dorst, zwakte, slaapzucht (lethargie), spierpijn of spierkrampen, hartkloppingen, duizeligheid, misselijkheid, braken en verminderde urineproductie kunnen op een verstoorde vocht- of elektrolytenbalans wijzen. Een plotse zwelling van de lippen en het gezicht, de nek en mogelijk ook van de handen en de voeten, moeilijkheden om te slikken, netelroos en moeilijkheden om te ademen, of een piepende ademhaling of heesheid. Dit wordt angio-oedeem genoemd en kan op ieder moment tijdens de behandeling optreden. ACE-remmers veroorzaken vaker angio-oedeem bij patiënten met een donkere huidskleur dan bij patiënten die geen donkere huidskleur hebben.
Hoge temperatuur, keelpijn of mondzweren (dit kunnen symptomen zijn van een infectie die wordt veroorzaakt door een daling van het aantal witte bloedcellen).
Gele verkleuring van de huid en het oogwit (geelzucht), wat een teken kan zijn van een leveraandoening.
Stop in deze gevallen met het innemen van Co-Lisinopril EG en neem onmiddellijk contact op met uw arts. Uw arts zal de gepaste maatregelen treffen.
Bij het begin van de behandeling en/of tijdens een dosisaanpassing kan het nodig zijn dat u vaker op medische controle gaat. U mag deze bezoeken niet overslaan, ook al voelt u zich goed. Uw arts zal bepalen hoe vaak u op controle moet gaan.
Wanneer mag u Co-Lisinopril EG niet gebruiken? als u allergisch bent voor lisinopril, voor andere ACE-remmers of voor één van de andere stoffen in Co-Lisinopril EG. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6. als u allergisch (overgevoelig) bent voor hydrochloorthiazide of voor andere sulfonamiden (geneesmiddelen die chemisch verwant zijn met hydrochloorthiazide) als u vroeger angio-oedeem (zwelling van de huid en de slijmvliezen, vooral in het gezicht, de mond, de tong of de keel, met moeilijkheden om te slikken of te ademen) heeft gehad bij gebruik van een ACE-remmer als iemand van uw bloedverwanten angio-oedeem heeft gehad (het is mogelijk dat de aanleg voor angio-oedeem in de familie zit) of als u in andere omstandigheden of door een andere oorzaak angio-oedeem heeft gehad Als u sacubitril/valsartan, een geneesmiddel dat wordt gebruikt voor de behandeling van een type langdurig (chronisch) hartfalen bij volwassenen, gebruikt of heeft gebruikt, omdat het risico op angio-oedeem dan verhoogd is als u een ernstige nieraandoening heeft (creatinineklaring < 30 ml/min) als er geen urine meer geproduceerd wordt (anurie) als u een ernstige leveraandoening heeft U heeft diabetes of een nierfunctiestoornis en u wordt behandeld met een bloeddrukverlagend
Zwangerschap Het gebruik van ACE-inhibitoren wordt niet aanbevolen tijdens het eerste trimester van de zwangerschap (zie rubriek 4.4). Het gebruik van ACE-inhibitoren is gecontra-indiceerd in het tweede en derde trimester van de zwangerschap (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Er kunnen geen conclusies worden getrokken uit de epidemiologische gegevens met betrekking tot het risico op teratogeniciteit na blootstelling aan ACE-inhibitoren tijdens het eerste trimester van de zwangerschap; een klein risico kan echter niet worden uitgesloten. Tenzij voortzetting van de behandeling met een ACE-inhibitor als essentieel wordt beschouwd, moeten patiënten die zwanger willen worden, overschakelen op een alternatieve antihypertensieve behandeling met een bekend veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens de zwangerschap. Wanneer zwangerschap wordt geconstateerd, moet de behandeling met ACE-inhibitoren onmiddellijk worden stopgezet en moet zo nodig een alternatieve behandeling worden gestart. Blootstelling aan een ACE-inhibitor tijdens het tweede en derde trimester is in samenhang gebracht met toxiciteit in menselijke foetussen (verminderde nierfunctie, oligohydramnie, schedelverbeningretardatie) en bij neonaten (nierfalen, hypotensie, hyperkaliëmie) (zie rubriek 5.3). Als blootstelling aan een ACE-inhibitor heeft plaatsgevonden vanaf het tweede trimester van de zwangerschap, wordt echografische controle van de nierfunctie en de schedel aangeraden. Baby's van wie de moeder ACE-inhibitoren heeft genomen, moeten nauwkeurig op hypotensie worden gecontroleerd (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Hydrochloorthiazide: Er is slechts beperkte ervaring met het gebruik van hydrochloorthiazide tijdens de zwangerschap, met name in het eerste trimester. Onderzoek bij dieren is niet toereikend. Hydrochloorthiazide passeert de placenta. Op basis van het farmacologisch werkingsmechanisme van hydrochloorthiazide kan het gebruik hiervan tijdens het tweede en derde trimester de foetoplacentaire perfusie verstoren en tot foetale en neonatale effecten leiden, zoals icterus, verstoring van de elektrolytenbalans en trombocytopenie. Hydrochloorthiazide dient niet te worden gebruikt voor zwangerschapsoedeem, zwangerschapshypertensie of pre-eclampsie wegens het risico op verminderd plasmavolume en placentaire hypoperfusie, terwijl het geen positieve invloed op het ziekteverloop heeft. Hydrochloorthiazide dient niet te worden gebruikt voor essentiële hypertensie bij zwangere vrouwen, behalve in het zeldzame geval dat er geen andere behandeling mogelijk is. Borstvoeding ACE-inhibitoren: Omdat er geen informatie beschikbaar is over het gebruik van lisinopril/hydrochloorthiazide tijdens de periode van borstvoeding, wordt lisinopril/hydrochloorthiazide niet aanbevolen en verdienen alternatieve behandelingen met een beter vastgesteld veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens borstvoeding de voorkeur, in het bijzonder tijdens het geven van borstvoeding aan pasgeborenen en prematuren. Hydrochloorthiazide: Hydrochloorthiazide wordt in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Thiaziden in hoge dosering die intense diurese veroorzaken, kunnen de melkproductie remmen. Het gebruik van lisinopril/hydrochloorthiazide tijdens de periode van borstvoeding wordt niet aanbevolen. Als lisinopril/hydrochloorthiazide toch gebruikt wordt tijdens de periode van borstvoeding, moet de dosering zo laag mogelijk worden gehouden. Ook overgevoeligheid voor van sulfonamide afgeleide geneesmiddelen, hypokaliëmie en kernicterus werden geobserveerd.
Volwassenen
| CNK | 2156594 |
|---|---|
| Organisaties | Eurogenerics (EG) Generics & Consumer |
| Merken | Eurogenerics (EG) |
| Breedte | 50 mm |
| Lengte | 125 mm |
| Diepte | 32 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 56 |
| Actieve ingrediënten | hydrochloorthiazide, lisinopril |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |
